De Hotelrede van Jort Kelder

16 november 2018, Koninklijk Instituut voor de Tropen Amsterdam

Hoteliers, ahoy!

 

Hulde dat ik U mag toespreken, hier in het KIT, of zoals mijn oude vader stug volhoudt ‘Het Koloniaal Instituut’. U verwacht van mij wellicht een Hoe Hoe heurt het eigenlijk… in de hotellerie? Helaas, ik ga u teleurstellen. Of U gasten welkom heet met een handkus of een Brabantse drieklapper en of U dekt met nobel gebutst tafelzilver of armoedig industrieel bestek – vandaag zal de verslaggever oud en nieuw geld U daar niet om kapittelen. De reden is niet dat mijn adel-operette op tv gestopt is maar dit: oud geld heeft niet zoveel met hotels. Zeker, ze slapen wel eens voor een paar tientjes in een doorgezakte twijfelaar van een bevriende zusterclub van Sociëteit de Witte of kloppen aan bij een krakerig pension-garni in de Alpen, omdat er in Zwitserland nu eenmaal geen adel woont en ze dus nergens gratis onderdak kunnen bietsen. Prettige gasten zijn het wel, die oude jonkers en douairières; ze eten de kliekjes en zullen niet klagen als U de temperatuur op 15 graden houdt. Thuis zijn ze niet anders gewend.

 

Kakkers klagen niet. Dus laat ik dat ook niet doen. Het zou ook kortzichtig zijn tegenover zoveel vragende ogen van hotelbazen en -bazinnen de mopperende gast uit te hangen. Anders plaatst u mij volgende keer dat ik kom logeren zéker naast de lift, boven de bar of onder een ruziënde Arabische harem. En, toegegeven, de reputatie van Hollanders in het hotelwezen is dusdanig, dat het hovaardig zou zijn te twijfelen aan uw talent en toewijding. Nederlanders zijn naar verluidt de beste herbergiers van de wereld. Hoe dat kan, blijft een mysterie. Alsof Burkina Faso de Friezen verslaat met schaatsen, of minister Blok de Nationale Etiquettetest wint.

 

Dit klompenland, dat de Hollandse horkerigheid tot volksaard heeft verheven, levert gelauwerde hotelmanagers. Alsof de hotelscholen in Den Haag, Maastricht en waar niet al, werken aan een geheim project waar de rest van Nederland geen lucht van mag krijgen. U slaagt daar wonderwel in, in iedere geval wat betreft de hippe hoofdstedelijke horeca. U kent ze wel, die types in de bediening met een houding alsof ze op weg zijn naar Hollywood en zich sowieso niet hoeven in te spannen, immers mooi en met een pappie op de Kwoot 500. Dus als ze twintig minuten na de bestelde Pouilly Fuissé een glas op tafel smijt met de mededeling “Alsjeblieft, je Pouilly Fumé’”, weet u in elk geval dat mademoiselle niet in de lesbanken te Lausanne heeft gezeten en de natie op het gebied van, zoals dat heet, hospitality nog een wereld te winnen heeft.

 

Geen zorg, ik ga geen grote mond opzetten, bespaar U bespiegelingen over wat er anders moet in de hotelbizniz. Het gaat u goed, de bezettingsgraden liggen hoger dan die bij de KLM – al hoop ik dat we straks bij U niet even krap liggen als we nu krap zitten bij de Koninklijke. En wie ondanks deze hoogconjunctuur nog steeds niet in staat is z’n centen te verdienen, verwijs ik door naar Marcel Boekhoorn. Deze tycoon-timmersmanszoon koopt u vast uit. Onlangs veroverde hij de HEMA, maar hij maakte zich voor mij al onsterfelijk toen-ie een paar jaar geleden tijdens een boys trip in de bar van The Ritz in Londen belandde en vijf biertjes later besloot het vlaggenschip van de Barclay Twins over te nemen. Ene ‘Mister Lee’ vervoegde zich aan de toog en stelde zich voor als de vertegenwoordiger van de hoogbejaarde eigenaren-tweeling, Sir David en Sir Frederick. Een rondleiding door het pand later boekte Boekhoorn €1,5 over naar Mister Lee, als voorschot op de overnamesom van ruim 300 miljoen pond. Daarna werd het stil en kon Boekhoorn zijn advocatenteam wakker bellen in Amsterdam. ‘En, Marcel’, vroeg ik hem na dit dure avondje uit, ‘wat heb je daar nu van geleerd?’ Waarop hij schaterend antwoordde: ‘Als je dronken bent moet je geen hotels kopen!’ Het is maar een tip voor straks, tijdens de borrel.

 

Ik heet dan wel journalist te zijn, als objectieve recensent heeft u weinig aan mij. Met welke missie ik incheck en met wie kleurt ieder bezoek. Mijn reis met een verse verkering naar een Malediefje moest onvergetelijk worden – en werd het ook, helaas. Maar dat kwam vooral omdat we al ruzie hadden in de slurf naar het vliegtuig toe, waarna op de terugweg onze wegen letterlijk en figuurlijk scheidden, na het douchen op Heathrow’s Terminal 4. Dan kunnen de watervliegtuigen, atollen en massages nog zo aanlokkelijk lijken, geen 5-sterren resort is bestand tegen de kuren van een Jewish American Princess.

Anderzijds tellen drie sterren moeiteloos voor vijf, als je wakker wordt met het silhouet van De Juiste Juffrouw tegen het azuurblauw van de Amalfi-kust, zoals ons na een lange winterse tocht overkwam bij Hotel Palumbo te Ravello. Soms kan zo’n rommelige aankomst een onverwacht voordeel opleveren. Zo belandden we eens om niet nader te duiden redenen in het holst van de Parijse nacht aan de poorten van Hotel Costes, de hitsige plaats delict van menige affairette. Twee lange nachten later rekende ik slechts één dag af, omdat de reserveringscomputer zich verslikt had in onze aankomstijd. Om 1 over 4 inchecken, ik kan het iedereen aanraden.

 

U, Hotel Leaders, kijkt naar uw nering als een bedrijf. Bezettingsgraden, yield per kamer en de spreadsheets van de f&b-manager; reuze belangrijk, al die cijferij. Voor mij als klant telt alleen de ervaring en dus de herinnering. Wat dat betreft blijk ik al jaren de trend aan mijn kant te hebben. Bespaar mij gouden kranen, knipmessende bediendes en het obligate voorgeprogrammeerde ‘Welcome Mister Kleder’ als je je kamer binnenkomt. Verscholen luxe is het antwoord. Geen doublé goud maar echt hout. Geen anonieme slaapschuren maar private guest houses die voelen, zoals ze bij het zojuist geopende Soho House zo goed begrepen hebben, als een ‘Home away from home’. Het kan nog hopelozer, nog meer millenial. Althans, dat vinden ze bij ZOKU. Een hybride vorm tussen wonen, werken en foerageren waarbij je je na een volstrekt anonieme entrée onderdeel van een hipstergemeenschap waant. Ik was er laatst en vond het wel aandoenlijk hoe iedereen daar de lelijkheid van de Weesperstraat omhelst en blijmoedig de uitlaatgassen van de onder hen voortrazende forenzen inhaleert – chill man!

 

Is dit nu uw slimme commerciële antwoord op de deeleconomie, die met dank aan Airbnb onze hoofdstad getransformeerd heeft tot een permanent rolkoffercircuit en festivalterrein? Ik weet het niet, maar de zegetocht van Booking.com en Airbnb is sowieso niet aan mij besteed. Booking niet omdat die site eruit ziet als Blokker voor de restyling en pusht als MediaMarkt in de dagen van Van Gaal. Ik ben toch niet gèk m’n voorpret op een reis zo laten bederven.

 

Pret. Humor. Partytime. Daar zou het toch om moeten gaan in het leven in het algemeen en uw branche in het bijzonder. Maar als ik kijk naar de gemiddelde hotelketen, ben ik toch nog te vaak geneigd na binnenkomst meteen de lift naar het dak te nemen en te springen.

 

Gelukkig kan het ook anders. Laat ik daarom mijn favorietenlijstje met u delen. Disclaimer: mijn ervaring is uiterst beperkt. En wie hier voor Bastion, Ibis of Fletcher werkt kan ik gerust stellen: u wordt niet genoemd.

 

Om te beginnen, de onvergetelijke entree. Dat was Hotel The Mark op de Newyorkse Upper Eastside. Ik ben er maar een paar keer geweest, en dan nog zeer onregelmatig, maar steeds sprak de award winning doorman mij bij aankomst van JFK persoonlijk aan en informeerde naar de toestand in Amsterdam. Ik weet ‘t, die details staan gewoon in de computer, maar toch, zo’n ontvangstcomité maakt indruk.

Dan de beste lounge, voor mij altijd een plek waar ik graag rondhang. De zwoel wiegende gordijnen van de Delano in Miami South Beach zijn iconisch, maar ons eigen Conservatorium Hotel kan er ook wat van, mede dankzij de uitstekende valet die zonder een krimp te geven mijn elektrische Smart of roestige Landrover naast de afgemeerde Bentley’s parkeert. Bij het Conservatorium zijn de meubels zo design dat er niet te zitten valt en is de bar zo luidruchtig dat je geen gesprek kunt voeren. Maar ik vergeef het ze: vorm gaat voor functie, laten we dat nooit uit het oog verliezen tussen al het lelijks waar we toch al continu mee worden lastig gevallen.

 

Er zijn zoveel aspecten die een hotelverblijf tot een onvergetelijk goede of slechte ervaring maken, maar zonder een ‘Room with a view’ wordt het lastig. Als een tv-productiedame van de publieke omroep de kamer heeft geregeld, bestaat dat uitzicht meestal uit een blinde muur of een 8-baans snelweg. De keren dat ik zelf het panorama mocht ritselen, pakte het gunstiger uit. Mijn favoriet: wakker worden op een lome zomerochtend in de Splendido in Portofino als de superjachten in de baai onder U net de Oekraiense hulpverloofdes aan wal hebben gestuurd. Bellissimo!

 

Dan het ontbijt. Voor mij nooit het sterkste deel van de dag, ik ben niet zo matineus. Maar als ik, badend in het Alpenlicht, uitkijkend over het bevroren Meer van Sankt Moritz, een gepocheerd ei aangereikt krijgt van de geruisloze, wit geuniformeerde brigade van Badrutt’s Palace, dan toast ik altijd even op de noeste kantoorarbeiders die op dat moment hun Audi A4 Avant inritsen in de file op de A10. Vergeef mij.

 

Van mij mag een hotel opgeruimd zijn, maar steriel als een operatiekamer gaat misschien wat ver. Ik herinner mij vaag de doorwaakte nacht in The Hempel. In die Londense designdoos van Anouska Hempel bleek een lichtknopje vinden ingewikkelder dan een wrak van Malaysian Airlines bergen. Ook de deur naar de badkamer was hermetisch verstopt, zodat ik – uiteraard na een gevecht met de designtelefoon – na een rescue-operatie door housekeeping werd ontzet en mij vervoegde in het tweeënhalf meter lange aluminiumbad dat zo glad bleek, dat het een wonder mag heten dat ik hier niet het podium op ben gereden in een rolstoel. Ik voel mij thuis bij het credo ‘less is more’, maar in zo’n ontmenselijkte hotelformule kun je je behoorlijk ontheemd voelen. Ga eens eten in een Aman Resort. Al marcheer je met een Victoria Secret-model over de loper, dan nog heb je het gevoel te detoneren tussen al dat moois. Aangekomen in het kolossale restaurant, ben je overgeleverd aan yogamuziek uit het plafond, nul gasten behalve dat ene echtpaar dat hun gesneuvelde huwelijk in stilte viert en twee dozijn bediendes die het nippen aan een glas of het verplaatsen van een broodkruimel beantwoorden met een volgens militaire precisie uitgevoerde hersteloperatie om mogelijke sporen van leven uit te wissen.

 

Dat soort bedachte formules gaan knellen als een pak dat te strak is afgespeld. Vroeg of laat willen we toch weer een bandplooi. The Hempel is al 5 jaar gesloten en Hempels ander formule, Blakes, heet bij ons aan de gracht inmiddels The Dylan. In dat Blakes heb ik nog eens een, zoals dat tegenwoordig heet, awkard moment gehad. Samen met mijn schrijfmaatje Yvo van Regteren Altena (u kent ’m vast van Quote en zijn standaardwerk ‘Reizen zonder trekhaak’) lanceerde ik daar ons boekje Extravaganza! Helemaal late jaren negentig, over de lastige keuzes die u heeft te maken als u een superjacht, een jet die de plas over kan of iets anders onmisbaars moet aanschaffen. Wij hadden de meester van de verfijning en de nuance, Theo van Gogh, gevraagd om het boekje in ontvangst te nemen. Enigszins detonerend met de opgewreven vloeren banjerde Theo binnen in zijn afzakkende spijkerbroek, viste uit een verfrommelde Albert Heijn-tas een paar kreukelige velletjes, schoof de kilo-blikken kaviaar die op een grote blauwe tafel stonden aan de kant, klom er op en stak van wal. Twintig minuten verbale sleepslagen later, klonk het applaus en daalde Van Gogh terug op N.A.P.. De blikken van de hotelstaf zogen zich vast op de plek waar de zwaarlijvige cineast gestaan had. De minimaal acht door Mrs. Hempel verordonneerde laklagen op de antieke tafel waren vermalen onder de zolen van de filmmaker, die kennelijk wat steentjes van de straat in zijn Bata-profiel naar binnen had gelopen.

 

Bij ieder ander hotel zouden ze blij zijn met het patina dat zo’n ster achterlaat. Zo niet Mrs Hempel, de vrouw die nog voor de opening van Blakes drie managers had ontslagen en er eentje alleen al wegstuurde omdat hij een tafel verschoof in plaats van optilde. Kort na de visite van Van Gogh veranderde het hotel van eigenaar. Dat kan geen toeval zijn.

 

U begrijpt, enige huiselijkheid mag best van mij. Neem Suvretta House, net buiten Sankt Moritz. Dat is eerder een oversized chalet met een lounge die doet denken aan een uitgerekte variant van de zitkamers van de clientèle; deftige mensen, krakerig als de houten vloeren van dit Alpenbastion, geworteld in de elites van het oude Europa. Ergens doet het wel aan de clublounge van Soho House denken. En er is nóg een treffende overeenkomst: de Suvretta lounge kom je niet in zónder das, Soho Hous niet mét!

 

Gezelligheid, sorry Anouska, we zullen er allemaal aan moeten geloven. De deeleconomie dankt er z’n zegetocht aan. Mijn smetvrees maakt dat ik weerstand kan bieden aan de behoefte andermans bedstee en badkamer te bevuilen, maar ik begrijp dat authenthiek de toekomst heeft. Ook het verleden, trouwens. Wie weleens in Hotel Falken in Wengen is geweest, weet wat ik bedoel. Er is eigenlijk geen enkele objectieve reden om in dat familiehotel te verblijven. Alle bedden zijn doorgezakt, het eten is ronduit matig, aan de uniformen van de bediendes ontbreekt altijd een knoop en, last but not least, uitbater Andrea Covee was geen maitre die de gasten naar de mond sprak. Was je in intiem gesprek met je vrinden, dan onderbrak Cova de conversatie ruw door over de skiprestaties van het Italiaanse team te beginnen. Posteerde je met het gezelschap rond de buis om naar de afdaling in Kitzbühl te kijken, dan stiefelde Cova de bar binnen en schakelde zonder pardon over naar Juventus-AC Milan. Ach ja, gastheerschap, het is een gave. De schrijver van Falwty Towers schijnt z’n inspiratie mede te hebben opgedaan tijdens zijn verblijven in dit Zwitserse hotelfenomeen.

Zouden we zonder zulke hotels willen? Nee natuurlijk, hoe weinig waar voor je geld ze ook bieden, de herinnering is onbetaalbaar. En ik ben niet die enige die dat vindt. Bekijk de reviews van Falken en de eerste zin die naar voren komt is deze: ‘Wat een rommeltje hier! Maar wel gezellig!’

 

Ik kan eindeloos doorgaan met herinneringen ophalen, want dat is wat u veroorzaakt als hotelliers. Over de mooiste lunch ooit, toen we op Frégate island, een prive-eiland op de Seychellen met meer stranden dan gasten, vanaf een strandtelefoon de lunch bestelden die door de lenige staf honderd meter omlaag over een wankele lianenbrug werd gebracht. Dat blijft je bij. Of het wonderschone dakterras van de Continentale in Florence, waar je cocktails drinkt op spuugafstand van de Ponte Vecchio.  En jawel, zo u wilt kan ik heus wel iets te klagen bedenken. Zoals over die op de receptie van het grachtenhuis Seven One Seven bijklussende student dioe het karakter van dit zogeheten private guesthouse  enigszins geweld aandeed, door bij binnenkomst blijmoedig aan te kondigen dat het de Mozart Suite was geworden. ‘Want de Beethoven en Schubert had u al gehad!’ Wat zij niet wist, was dat ik mijn toenmalige zojuist had toevertrouwd dit private guest house wel te kennen, ‘maar alleen omat we hier een keer vergaderd hebben’. De wereld is klein en bijzondere hotels zijn schaars, dus je komt vaker op dezelfde plek. U gelieve enige discretie in acht te nemen.

Maar laten we ook niet te kleinzerig zijn. In verschillende Afrikaanse resorts kwam ik er pas na dagen achter dat de bij de kamer horende butler zijn taak wel heel secuur opnam. Zo viel mij oog op North Island en Vamizi Island, respectievelijk in de Seychellen en voor de kust van Mozambique, op de bruine voeten van onze bediende, slechts enkele meters verwijderd van de echtelijke sponde. Noem mij preuts, maar ik stapte uit bed, gooide een badjas om en stapte op de vijf meter verderop staande de butler af om hem aan te spreken op zijn bijna voelbare aanwezigheid. Uiterst vriendelijk wuifte deze mijn zorgen weg: ‘No problem Sir, take your time!’.

 

Dames en heren hotelliers, ik sluit af. En dat doe ik in dankbaarheid voor alle prachtige momenten die u mogelijk maakt voor mij en al die miljoenen andere happy guests. Tegelijk reken ik erop dat u het belang van gasten zoals ik relativeert. Ik behoor tot de kaste van journalisten; een beroepsgroep waarvan de ene helft zonder een dubbeltje te betalen parasitair uw suites bevuilt, en waarvan de andere helft zich uitput in recensies die lang niet altijd recht doen aan de inspanningen van uw staf.

Tot welke groep u mij rekent is aan U, maar het laat zich raden waarom ik zo graag in JK Place, de boutique hotels van Jonathan Kaffri in Florence, Capri en Rome ben. De initialen van de eigenaar, JK, bevallen mij. Onnodig te vragen welke handdoeken en beddengoed mijn huizen inmiddels sieren. Zei ik het niet: uitvreters zijn het, die reisverslaggevers!

 

Het meest ironische is nog wel dat het hotel waar ik het meest jubelende tv-verslag ooit van maakte, nog voor de uitzenddatum de deuren al weer sloot. Dat was INTO the Hotel, de Alpendroom van de Zermatter kunstenaar Heinz Julen. Die futurische glazen driehoek kostte 45 miljoen Zwitserse frank maar was slechts 42 dagen open. Ruzie tussen de aandeelhouders, veroorzaakt door een liefdesaffaire tussen de bedenker en de zoon van de financier. Die laatste, een miljardair-meubelmaker, liet uit wraak het nagelnieuwe hotel met sloophamers uit elkaar slaan. Het enige tastbare bewijs van INTO is nu nog een filmpje dat gemaakt werd voor mijn tv-programma. Daarin ziet u de eerdergenoemde Yvo van Regteren Altena, uiterst gebruind in het aangezicht van de Alpenzon en de Matterhorn, in een telescopisch bewegend bubbelbad vier meter uit het dak omhoog schuiven. Participerende journalist in optima forma.

 

Tot slot, hotteliers. Wanhoop niet, vreest niet voor de platforms. Als u een bijzonder product blijft bieden is er toekomst. Aan mijn klandizie zal het niet liggen. Sterker, bij mijn finale uitchecken reken ik er op dat u mij rond de groeve gunt wat de slechterik in de Bondfilm Goldeneye, 007 toebijt: ‘A small memorial, with only a few tearful restaurateurs en hotelliers in attendance’. Ik dank u voor de avonturen.

 

Jort Kelder

Amsterdam, 16 november 2018